
Secretariaat: Paulus Potterstraat 10, Woerden.
-------
| 1e Jaargang no.: 1 |
juli 1958. |
Wij moeten het steeds weer vaststellen, dat het begrip "historie"
een wezenlijk bestanddeel van onze denken en beschouwen vormt.
Alles wat wij waarnemen, hetzij door lezen van de Vaderlandse geschiedenis,
het bezoeken van een museum, het rondkijken in steden, stadjes, dorpen naar oude
torens, kerken, gevels, interieuren, of het speuren naar oude landschapsvormen,
zoals oude bossen, rivierlopen, vennen, hessewegen en het ontdekken van oude
kastelen, vestingwerken, schansen, muren, en bruggetjes, zijn alle dingen, die
vroeg of laat onze belangstelling gaan trekken.
Zeker nu zo gemakkelijk de historische - voor vele dode - waarden over boord
worden gegooid. Mogelijk, dat de voortjagende mens in het buitenland eens de
schellen van de ogen vallen als hij daar kultuurvoortbrengsels ontwaart, die hem
opvallen en boeien. Die hem daarna in zijn eigen vaderland ook eens bewust mogen
gaan worden.
Intussen is het verheugend, dat in Woerden een kleine schare belangstellenden
elkaar gevonden heeft in een gemeenschap, die zich verder wil gaan verdiepen in
oude kultuurscheppingen. Een gemeenschap die ook in staat zal zijn tezijnertijd
de onvergankelijke kultuurmonumenten te helpen bewaren. Om nog niet te spreken
van degenen, die de levende herinnering willen op zoeken aan hun voorgeslacht en
aan uitgebreide stambomen werken. Mij dunkt, er is werk genoeg. Moge als deze
individuele hobbies het kristallijn zijn, dat duur het vuur van onze ideeën en
belangstelling tot een brok helder kristal wil uitgroeien.
Dit alles in eerbied voor hetgeen de natuur en de scheppende voorvaderen ons
nalieten.
E.E.v.d.Voo
(Voorzitter)
Naast nieuwe bijdragen zullen ook vroeger gepubliceerde artikelen over de
Woerdense historie in dit blad worden geplaatst. Wanneer wij het artikel
"Het torenuurwerk" dat broeder R.v.Schijndel, O.F.M. lezen en weten,
dat na 1945 Oudewater en Kamerik een carillon hebben gekregen, dan komt bij ons
de vraag naar boven, waarom Woerden zijn beiaard nog niet heeft.
Eén en ander is echter door onze vereniging al in studie genomen en wij
prijzen ons gelukkig een lid in ons midden te hebben, die heeft gezeten in het
carillon-comité van Oudewater.
De redacteur.
Woerden
Het torenuurwerk
door broeder R. Van Schijndel, O.F.M.
(gepubliceerd in de "Utrechts post" van 26 febr. en 5 maart 1921).
Het nut en groot gemak dat het onlangs op de stadstoren geplaatste nieuwe
uurwerk, met zijn heel-, half- en kwartierslag aan het noordelijk deel van
Woerden geschaft, heeft mij aanleiding gegeven om enige aantekeningen omtrent
het uurwerk in vroeger eeuwen bijeen te verzamelen en hier mede te delen.
Reeds in de oudst overgebleven stadsrekening van 1456-57 komt de post voor:
"de koster van de huercloc te stellen 4 gulden". Er was dus toen reeds
een uurklok en bijgevolg ook een uurwerk. Zoals valt af te leiden uit de
verschillende posten, die in de rekeningen van 1461-1496 omtrent het uurwerk
voorkomen, stond uit een huisje op de torentrans. Dit vertrekje, in de
rekeningen prijkende met de weidse naam van "huerclochuus", had vier
ramen, van luiken voorzien, die met windijzers vastgezet konden worden. Claes
Corstantsz. werkte in 1461-62 "op de clocktoern aen dat huus daert huerwerc
in staet" en zijn gildebroeder Claes Baersz. Verdiende in 1468-69 met
"tymmeren ant huerclochuus 3½ st".
Iedere dag en niet zelden des nachts trok de koster langs het nog aanwezige
stenen trapje 1) naar boven om de klok op te winden en gelijk te zetten, of
"te stellen", zoals het toen heette. Dit "stellen", meest
iedere dag, soms wel meermalen gebeuren, want van goed gelijk lopen was toen nog
geen sprake, daar dit eerst mogelijk is geworden door de slingeruurwerken, die
in 1658 door Christiaan Huijgens werden uitgevonden en te Scheveningen en te
Utrecht het eerst geplaatst. Bij het gelijk zetten van het uurwerk richtte de
koster zich naar de zonnenwijzer, die tegen de toren was aangebracht en een jaar
vóór de uitvinding van de slinger in 1657 nog opnieuw werd verguld.
Voor zijn werk ten algemene nutte ontving hij jaarlijks de som van 4 gulden
en, -- typisch voorbeeld van conservatisme, -- in 1552 bijna een eeuw later,
kreeg zijn opvolger nog geen cent meer. Eerst in 1555 werd dit salaris to
ƒ6.--, in 1566 tot ƒ20.-- en in 1568 zelfs tot ƒ30.-- verhoogd, maar dit
mocht dan ook wel, want door het carillon was zijn arbeid minstens
verdriedubbeld.
Van de lui-klokken in de toren is gedurende de 15e eeuw alleen sprake in de
post: "De koster van smiddags te luden 2 pond 10 st". (1 gulden 25
cent). Ook deze post komt onveranderd voor tot 1573; verder heb ik die niet
kunnen volgen en hij schijnt opgenomen te zijn in het salaris van de koster 2).
Vóór 1557-58 wordt er in de rekeningen niet gesproken van het carillon of
het klokkenspel. In gemeld jaar komt een kleine uitgave voor aan een man uit ‘s
Bosch, die een brief bracht "beroerende (handelende over) "dat
voerslach".
Vier jaar later in 1562-63 werd een nieuw klokhuis aanbesteed, het aantal
klokken vermeerderd en een nieuw uurwerk aangeschaft. De stadsbode Cornelis
Cornelisz. Bonser ging dat jaar tweemaal naar: " ‘s Hertogenbosch...tot
die clockgieter", en ontving nog 6 st. "van dat (hij) tot Monfoort
liep ende daer nae tot Alphen om Cornelis Vrericxs te seggen, dat hij byde
gerechte ende kerckmesters alhier comen soude om tbesteck vant clockhuijs te
maecken". De burgemeester van 1562-63 "Jan Aertssoen heeft met mr.
Pons (den organist en klokkenist) tUtrecht geweest om met den clockegieter te
spreken off hij ons vier nyeuwe clocxkens soude willen gieten, daer hij acht
dagen sijn beraet op nam; ende heeft alsdoe (toen) bij (door) Heer Herman
(Troost) doen weeten, dat hijse nyet eer leveren en mocht (kon) dan voor
Corsmis".
Ten slotte komt in deze rekening nog de post voor: "Item gegeven mr. Jan
Moor 3) clockegieter opte obligatie bij (door) Claes Waernaerss ende schepenen
hem verleden vande eerste clocken 100 gulden".
Jammer genoeg noemt de rekening geen datums. Wanneer wij evenwel ‘t
voorgaande in verband lezen, lijkt mij de volgende deze. Waarschijnlijk in 1555,
zeker in 1557 waren er enkele klokjes te ‘s Bosch gegoten, voldoende om een
voorslag te vormen. Na enige jaren besloot men het carillon uit te breiden en
Claes Waernaersz., in 1561-62 burgemeester, bestelde de eerste nieuwe klokken
aan mr. Jan Moor, wie het volgende jaar 100 gulden op zijn rekening werden
afbetaald. Om deze klokken te plaatesen bouwde men op de torentrans, aand de
oostzijde, een nieuw klokhuis, dat, te oordelen van de oude schilderij op het
stadhuis, ongeveer de vorm had van het nog bestaande op de toren van Oudewater.
4) Toen een en ander gereed was vond men het klokkenspel "te mager" en
togen Jan Aertssoen en meester Pons naar Utrecht om er nog vier klokjes bij te
bestellen.
Hoe dit ook zij, zeker is dat aan Mr. Otto Conelisz. te Amsterdam in 1562-63
de vervaardiging wer opgedragen van een nieuw uurwerk, dat ook het carillon in
beweging zou brengen.
Eigenaardig is dat hij zelf bij de aanneming 6 gulden 12 st., de helft van
zijn "wijcoep"(drinkgeld) moest betalen. Beter laat zich verklaren,
dat hij de helft voldeed van het waag- of weeggeld, zowel van het nieuwe
uurwerk, als van het oude, dat hij voor 21 gld. 14 st. Overnam. Het woog 695
pond. Mr. Otto bedong dat hij bij de aflevering 200 gulden "gereed"
(contant) zou ontvangen en het ook wel bij die gelegenheid geweest zijn, dat
zijn zoon en opvolger een drinkgeld kreeg van ƒ1.75.
De stadsrekening van 1563-64 en 1565-66 ontbreken, doch daar in die van
1564-65 de post voorkomt: "betaelt mr. Otto van Amsterdam van een termijn
vant uyrwerck" en seze termijn 100 gld. Begraagt meen ik te mogen besluiten
dat hij tot 1568 toe jaarlijks 100 gulden in afkorting ontving, behalve het
laatsgenoemd jaar, want toen werd aan "mr. Otto, urewerckmaecker tot
Amsterdam (betaald) van tlaetste termijn dat verschenen was an ‘t voirs.
urewerck ofte ander noten, die in ‘t werck voirs gelyt (aangebracht) zijn 74
gld. 7st.". Het gehele werk zou dan ongeveer ƒ700 gekost hebben.
De noten, waarvan hier sprake is, waren ijzeren pennen, die op een langwerpigen, ronddraaienden cylinder of trommel werden gezet en door het neerdrukken van totsen de hamers tegen de klokjes deden slaan. In 1570 betaalde men mr. Otto 3 gld. "voor een deel nooten an het urewerck te verstellen (verzetten), m.a.w. de melodie te veranderen. Twaalf jaar later in 1582-83 maakte hij het uurwerk schoon en ontving daarvoor "ende van etlicke nooten daer toe (bij) te doen ende te verstellen", 28 gld. 14 st. De verzorging van het uurwerk bleef in zijn familie, want in 1589-90 komt de post voor: "betaelt mr. Roelof Ottez. tot Amsterdam van tgunt hij in ‘t voerleden jaer verdient heeft an ‘t uyrwerck ofte voerslach, 22 gld 17 st." en zijn zoon Roelofs, uyrwerckmaeker ‘t Amsterdam ontving in 1609-10 voor "geleverde nooten" 30 gld. 12 st. Dat het carillon ook met de hand (d.i. met de vuist) bespeeld werd, blijkt uit een gebeurtenis die einde oktober 1591 plaats greep. Door toedoen van de Ho. Mo. Staten, die in Woerden geleidelijk het Lutheranisme door het Calvinisme wilden vervangen, werd aand de Lutherse predikant Joannes Ligarius het prediken verboden en moest deze, na van de Burgemeesters een getuigenis van zijn "onstraffelijken wandel in leer en leven" ontvangen te hebben, Woerden verlaten. Toen hij de stad uitging, begeleid door zijn tegenstanders, liet zijn partij op het klokkenspel spelen: "O scheiden, bitter scheiden, als ‘t immer wezen moet". Dit is de enige melodie, waarvan wij met zekerheid weten dat zij op het carillon te Woerden gespeeld is.
Behalve enkele kleine posten, die betrekking hebben op ‘t leveren van noten, of op ‘t repareren van het uurwerk, komt daarover in de volgende vijftig jaren niets van belang meer in de rekeningen voor, zodat mr. Otto degelijk werk blijkt geleverd te hebben. De 1e maart 1657 wordt aan Jordan van den Bosch "horologiemaeker tot Utrecht" opgave gevraagd van hetgeen de reparatie van het uurwerk zal kosten. Of deze hem werd opgedragen vind ik niet vermeld. Datzelfde jaar, 31 oktober, werd de organist tot "klokkenstelder" benoemd op een salaris van ƒ65. Meerdere van zijn voorgangers in de 17e eeuw hadden die post waargenomen, zodat hier de schoolmeesters het klokkenstellen niet onder de achttien deugden konden tellen, die volgens Dirck Valcoogh een goed schoolmeester behoort te hebben. Toch had meester Arleboud in 1657 van februari tot oktober zich in die deugd kunnen oefenen, want "het klockengestel ende ‘t uyrewerck" werden hem "voor den tijd van een half jaer toe betrouwt op een tractement van 25 gulden."
Maar de tijd kwam dat uurwerk, carillon en klokkestelders de arbeid zouden
staken. Zoals men weet bezetten de Fransen in l672, bij hun inval in ons land,
op Sint Jan, 24 juni, ook Woerden. Enige maanden later, in de nacht op 10 en 11
oktober, kwam een afdeling van het Hollandse leger geheel onverwacht voor de
stad. Toen de Fransen de volgende morgen, dinsdag 11 oktober, de Hollanders
ontdekten, sloegen zij aanstonds alarm. Zij schoten de twee l2-ponders af, die
zij van Utrecht hadden medegebracht, en vuurden met alle geweren, die zij
slechts meester konden worden. Vervolgens ontstaken zij op de zuid-oostzijde van
de torentrans een groot vuur van rijshout, tot een noodsein aan de Franse
troepen te Utrecht. Doch dit vuur, door een hevige wind aangewakkerd, stak
weldra de brand in de hoge, van ouderdom hier en daar vermolmde torenspits, welke
binnen korte tijd door de vlammen verteerd nederstortte , carillon en uurwerk in
zijn val mede slepend. De brandende torenbalken vielen op het dak der kerk en
deden dit, met al wat er in de kerk brandbaar was, in vlammen opgaan.
De hevige wind joeg de vonken naar de noordzijde der stad. Het vuur tastte de
meeste huizen op het kerkhof 5) aan en verteerde o.a. de Latijnse school en de
woning van de Rector (thans de mangelkamer en de kleine bewaarschool der Eerw.
Zusters). Vandaar sloeg de brand naar de Rijn over, tot dicht bij de Rietvelder
of Leidse poort, waar mede enige huizen in de as werden gelegd. De brand te 7
uur begonnen kwam tegen 10 uur tot staan.
Treurig was de toestand van Woerderi, gedurende de Franse bezetting en nog
lang daarna. De kerk met toren en een groot aantal huizen waren verbrand, de he
helft der bewoners gevlucht of gestorven, de overgebleven gegoede inwoners
verarmd en de middenstand zo goed als tot de bedelstaf gebracht. Het duurde dan
ook tot het einde van 1674 eer men aan het wederopbouwen van de kerk durfde
denken. Doch werd er toe genoodzaakt daar het Weeshuis te klein was. om er de
dienst te blijven doen.
De 25e februari 1675 besloot de vroedschap, wijl de kollekte voor de herbouw
zo goed ging, om de helft van de kerk tot aan het koor te herstellen. De 26e
april had de aanbesteding der materialen plaats, doch toen, 26 mei werd
voorgesteld. om ook het koor te vernieuwen, maakte een lid der vroedschap,
Petrus Somerus, zijn goedkeuring afhankelijk van de voorwaarde: "dat het
orologie of uyrwerck gelijckelijck met de vergrooting van de kerck zal worden
besteedt".
De vroedschap vond de 4e november "goet dat binnen, kort een oirloge
dient gemaakt te werden, omme een goet klockgeslach te hebben". De
burgemeester werd belast om daarover te onderhandelen met de commissarissen voor
de opbouw der kerk en zij schijnen, in hun vreugde over het weder in gebruik
nemen van het kerkgebouw de 7e nov. l675, aan die opdracht spoedig gevolg te
hebben gegeven, want de 10e december had de aanbesteding van het uurwerk plaats.
De beslissing over het geheel of gedeeltelijk vernieuwen daarvan, lieten zij aan
de genoemde commissarissen en deze schijnen, te. oordelen naar hetgeen er thans
(192l) nog van over is, een gedeeltelijke vernieuwing voldoende geacht te
hebben.
Middelerwijl hadden de heren Alb. Costerus en Barthol. Pelletier, die belast
waren met het "collecteeren" (inzamelen) van de
"klockspijs", niet stil gezeten en kregen de l4e maart 1675 verlof om
die klockspijs tegen een nieuwe klok in te ruilen. Nog hetzelfde jaar werd deze
door de beroemde klokgieter Petrus Hemony te Amsterdam gegoten. Deze klok,
waarvan de heerlijke klank nog steeds bekoort, heeft een middellijn van 1.20 m.
en is 0.90 meter hoog. Zij heeft tot opschrift: "Temporis extremitatem
memor esto tui.-- Petrus Hemony me fecit Amstelodami anno 1675". 6), d.i.
Wees uw levenseinde indachtig. -- Petrus Hemony maakte mij te Amsterdam in het
jaar 1675.
Daaonder staat aan de ene zijde:
Burgemeesteren
Gerrardus Ruijsch. Cornelis Lomberson. en aan de andere zijde:
Commissarissen
Albertus Costerus. Bartholemeus Pelletier.
Tussen de namen der burgermeesters en commissarissen bevindt zich het wapen van Woerden.
Na het verbranden van de torenspits en de ontreddering van het uurwerk wisten de Fransen zich, naar de krijgsmanier, te behelpen door te Zegveld het toreruurwerk te weg te halen en dit waarschijnlijk op de onderste verdieping van de toren te plaatsen. Mogelijk hebben zij zich op dezelfde wijze van een klokje voorzien, want een uurwerk dat zich niet deed horen, was nutteloos. Wij vinden dan ook in januari 1675 als "klokkenstelder" genoemd de loodgieter Gerrit Tielemans, die tevens als lantaarnopsteker dienst deed.
Men mag het er voor houden, dat het "geleende" uurwerk op de nieuwe klok van P. Hemony pasklaar gemaakt werd) want de bovenvermelde commissarissen voor de herbouw haastten zich zo langzaam, dat het nieuwe uurwerk, door Jan Claasz. te Delft vervaardigd; eerst in juli 1678 kon geplaatst worden.
De 16e dier maand besloot de vroedschap: "alzoo het horologie ook in
zoodanig fatsoen is gemaakt, dat de meester (uurwerkmaker) hetselve hier gebragt
hebbende sal besorgen (maken), dat op het kleine klockgen een half uur zal
kunnen slaan". Nadat het halfslag was aangebracht werd het uurwerk de 26e
augustus dor burgemeesters, kerkmeesters en twee meesters "hen dies
verstaande" (uurwerkmakers) opgenomen, goedgekeurd en besloten aan mr. Jan
Claasz. 1333 gulden in mindering van de aannemingssom uit te betalen. Dit geld
was niet in kas, daarom werd goedgevonden dat de kerk een obligatie van 2000
gulden, die zij had ten laste van het Gemeneland van Holland "als pand der
minne zou versetten (belenen) ende daarop negotieeren 1333 gulden tegen 6
procent".
Zo geschiedde. Ook het geld van onbekende eigenaars, op de Weeskamer
gedeponeerd, werd voor het uurwerk besteed, terwijl de nog overblijvende
klokspijs te gelde zou worden gemaakt "ende besteed ten fine (tot het doel)
als voren".
Hoeveel de totaal som van een en ander bedroeg vinden we niet vermeld, maar
wel, dat 26 september 1679 aan de Heren, die te Delft voor de kerk gingen
kollekteren, 200 gulden werden medegegeven, om die aan Jan Claasz. "in
minderinge" te voldoen. "In minderinge", er bleef dus nog meer te
betalen over, maar hoeveel heb ik niet kunnen achterhalen.
Reeds bij de aflevering van het uurwerk in augustus 1678 had men besloten een
omslag te doen "over de mergentalen der landerijen onder ‘t karspel van
Woerden behorende". Doch het werd 10 oktober 1679 voordat de heren Costerus
en Samerus last kregen om een request op te maken en aan de Ho. Mo. Staten van
Holland aan te bieden "om te hebben authorieit en macht tot een omslag van
ƒ1 per mergen over de landen onder het klockegeslagh ofte de kercke dezer stede
behoorende, te betalen in 2 jaren, jaarlijks 10 stuivers".
Het "horlogie ende klocke mitsgaders den gevolge van dien" zouden
uit de opbrengst worden betaald, maar daarom weten wij nu juist niet hoeveel van
die som aan het uurwerk werd besteed, gesteld al dat de Staten in die omslag,
evenals vroeger te Bodegraven, hebben toegestemd, wat wij niet aangetekend
vinden.
Op het verzoek van dominee Abraham Rodenburg te Zegveld, om teruggave van het uurwerk "in den tijd van de Fransche alhier gebragt
ende eenigen tijd (5 of 6 jaar) gebruijkt", werd 5 mei 1679 besloten
"dat die van Segveld tzelve tot haren kosten zullen vermogen af te halen,
en dat de gedane en verstrekte penningen tot onderhoud van dien om singuliere
redenen werden geremitteert" (kwijtgescholden). Nu, dit mocht dan ook wel
zonder singuliere redenen, nadat men het zo lang had gebruikt.
In het jaar l711 bestelden de burgemeesters Jan van der Win en Lucas van
Diepen een nieuwe kleine klok, die nog hetzelfde jaar werd geleverd, zoals
blijkt uit de post: "Betaalt aan Claas Noorden van de nieuwe kleijne klok,
mitsgaders leverantie van nieuw metaal 257 gulden, 17 st." en nog 18 st.
voor vracht. Deze klok heeft een middellijn van 0.75 m. bij een hoogte van 0.62
m. en draagt tot opschrift: Claas Noorden et Jan Albert de Grave me fecerunt
Amstelodaml anno 1711, d. i. Claes Noorden en Jan Albert de Grave 7) hebben mij
te Amsterdam gemaakt in het jaar 17l1. Daaronder staat:
Jan van der Win en Lucas Van Diepen, Burgemeesteren.
Sedert dien vinden wij in de stadsrekeningen tot 1900 niets anders over het
uurwerk dan reparatiekosten, een bewijs dat ook het uurwerk door Jan Claasz.
geleverd uiterst solide was.
Eerst. sinds een tiental jaren is het van ouderdom zó aan ‘t sukkelen
geraakt, dat een nieuw uurwerk volstrekt noodzakeljk werd. Het was dan ook geen
overdaad of weelde toen.burgemeester en wethouders het vorig jaar de levering
van een nieuw, volgens de eisen des tijds ingericht uurwerk, opdroegen aan de
heer G.
W. de Goederen alhier, voor de som van l795 gulden. Het werd vervaardigd in
het zo gunstig bekende atelier van de heer J. Kerkhof te Aarle-Rixtel en heeft
een zogenaamde Graham-gang met konstante kracht. ‘t Slagwerk doet heel-, half-
en kwartierslag horen. De wijzers worden door een afzonderlijk gewicht gedreven
en wel zó, dat de grote wijzer niet ononderbroken ronddraait maar telkens een
minuut verspringt. Op die wijze onaf'hankenijk van weer en wind, is zijn
geregelde gang verzekerd.
Voeg daarbij dat men het werk niet meer dan eens per week behoeft op te
winden en een ieder zal de voortreffelijkheid van het nieuwe uurwerk boven het
oude beseffen.
Men stelle zich nu eens de verwondering voor van een koster uit 1456, die, zijn bekend trapje nog eens opgeklommen, voor het nieuwe "klokhuus" zou komen te staan. Een uurwerk, slechts één vierde in omvang van het zijne, dat heel-, half- en zelfs kwartier slaat, twee wijzers heeft, waarvan de kleinste het uur, de grootste iedere minuut nauwkeurig aanwijst en dat daarbij zo goed als nooit "gesteld" of gelijk gezet behoeft te worden, -- de man zou zijn ogen en oren niet kunnen geloven, maar stellig van verbazing omver vallen. als hij tot de ontdekking kwam, dat dit kunstwerk slechts eens per week behoeft opgewonden te worden.
----------
1) Het traptorentje was toen aanmerkelijk hoger dan nu en liep door tot aan de torentrans, zodat de koster vlak bij "het clockhuus" uitkwam en niet, zoals thans, nog een lange ladder moest beklimmen.
2) Heeft men er te Woerden wel ooit aan gedacht, dat de algemeen bekende "werkmansklok" nu al bijna 5 eeuwen het etensuur van de arbeider aankondigt? Bijna zo lang als de tegenwoordige klok (gegoten in 1711) in de toren hangt is zij geluid door een familielid van de heer Roeland van der Vring, sinds 34 jaar koster der Grote kerk, wiens voorouders, volgens het notulenboek van de kerkeraad, vanaf 1721 dat ambt hebben waargenomen. Ontving de koster van de l5e en l6e eeuw voor zijn arbeid ƒ1.25 per jaar, thans beurt de gepensioneerde klokkeluider ƒ2.50 per maand.
3) Een Jan Moer leverde in 1500 de St. Mariaklok te Oudewater.
4) Dat de bewoners van Oudewater hun carillon, in 1609 gegoten, van Woerden zouden "gestolen" hebben is dus een fabeltje.
5) Dat is het gedeelte tussen de kerk en de Lane Groenendaal gelegen.
6) Dit opschrift schijnt bij de gebroeders Hemony in trek geweest te zijn; Frans Hemony plaatste het ten jare 1657 in het Nederlands op de middelste luiklok der Zuiderkerk te Amsterdam. Daar lezen we: "Zo menigmael gy hoort den helderen klockeslagh gedenckt aendachtelyck aen uwen jongsten daech". Frans Hemony overleed in 1667, zijn broeder Pierre in 1680.
7) Claas Noorden was de meesterknecht van Catharina Terwege, de weduwe van Claude Fremy neef en opvolger der Hemony's.
Toen Catharina in 1699 met de klokgieter Jan Albert de Grave hertrouwde werd de gieterij te Amsterdam door hem en Claas Noorden voortgezet.
Woerden, 23 febr. 1921.
Het bestuur heeft herhaaldelijk gepoogd tot een nader contact met de leden te
komen, doch door allerlei omstandigheden moest dit worden uitgesteld.
Wij zijn er echter in geslaagd voor onze leden een excursie te organiseren
naar de Woerdense Korenmolen "De Wîndhond", waar onze archivaris het
een en ander over zal vertellen. Wîj nodigen daarom alle belangstellende leden
voor deze excursie uit, die gehouden zal worden op maandagavond 7 juli 1958, om
19.30 uur, waar men tevens iets horen zal over de volgende excursie.Verzamelt
zal worden bij de korenmolen, welke werd gebouwd in 1755 door Jan Wellen en
Katrina Kellink, op de plaats van een middeleeuvvse standerdmolen. De
fundamenten, vier zware stenen teerlingen zijn onder de molen teruggevonden. De
moleh is nog dagelijks in bedrijf, wat in ons land al vrij zeldzaam ïs
geworden.
Wat de inrichting betreft, de molen - die in vaktermen een ronde stenen
stellirigkorenmolen wordt genoemd - heeft vijf zolders.
De bovenste is de kapzolder. Daar brengen de wieken een as van 3000 kilo in
beweging. In het-midden van de bovenas zit een groot wiel, het bovenwiel. Dit
drijft een horizontaal liggend wiel aan; het rondsel,of wel de bonkelaar. Deze
bonkelaar zit aan het hoveneinde van een vierkante spil, de koningsspil. De spil
loopt via de daaronder gelegen verdieping, de luizolder, naar de steenzolder,
waar aan het onderste uiteinde van de as weer een wiel zit, het spoorwiel.
Dit spoorwiel brengt weer drie rondsels in beweging. Het rondsel zorgt via
een stalen spil, de steenspil, ervoor dat de bovenste steen kan draaien. Dat is
de loper. De onderste steen is de ligger, die niet beweegt. Het koren komt door
een stortkoker, die begint op de luizolder, in een schudbak (het schoe), waaruit
het tussen de stenen valt. Daar wordt het graan tot meel vermalen. Het meel gaat
door een koker naar de maal-, of stellingzolder, waar zoals de naam reeds zegt,
op de balie kan komen.
Hier wordt het meel in zakken opgevangen, waarna het op een oude, uit, 1717
daterende weegbalans gewogen wordt. De volle zakken worden dan naar beneden
gelaten, weer een zolder lager, met behulp van het luiwerk, het ingewikkelde
takelsysteem, dat ook al op windkracht werkt. Die onderste zolder is de
mengzolder. Er staat een grote mengketel en langs de wanden liggen zakken graan
en meel opgetast. Beneden staat de mulderskar, een mooie oude sjees die nog elke
zaterdag gebruikt wordt om het meel naar de bakkers te brengen.
Alleen deze oude kar is een bezoek aan de molen al waard!
ooOOOoo
---
De buiten Woerden wonende leden worden verzocht de contributie voor 1958 à ƒ2,50 te storten op postgiro no. 25969 t.n.v. H.Schippers, Paulus Potterstraat 10, Woerden.